IBT Snack-36. Drie lessen uit beyond the split second.

Hoe belangrijk is wat er vóór die split second gebeurt? In politie- en militaire training gaat veel aandacht naar het moment waarop het echt spannend wordt: het moment van handelen, ingrijpen of geweld gebruiken. Maar het onderzoek van Wendy laat zien waarom we juist ook moeten kijken naar wat daaraan voorafgaat. Zij analyseerde 430 echte incidenten en meer dan 400 variabelen. Wat uiteindelijk overbleef, zat opvallend genoeg vooral in die voorfase: “En uiteindelijk kwam er echt een heel klein lijstje uit. Die allemaal in de voorfase zitten. Dat gaat over: heb je een plan gemaakt, heb je controle over die situatie, ben je actie-intelligent? En dan kunnen we voor 44% verklaren waarom het in zo’n casus goed gaat.” Dat roept voor trainers een belangrijke vraag op: als zoveel van een goede afloop samenhangt met wat vóór het beslissende moment gebeurt, hoeveel aandacht krijgt die fase dan eigenlijk in onze trainingen?

Hoe zou scenariotraining eruit moeten zien als trainingstijd schaars is? Meer realisme, meer middelen en grotere scenario’s lijken misschien vanzelfsprekend beter. Wendy kiest een andere invalshoek: “Ik heb veel liever dat mensen frequenter kleinere scenario’s zonder alle toeters en bellen en bijstand, honden, paarden trainen, gewoon kleine scenario’s waarbij ze de hele skillset kunnen oefenen.” Een scenario hoeft volgens haar niet groot en ingewikkeld te zijn om transfer naar de praktijk te hebben. En misschien nog belangrijker: het hoeft ook niet altijd te eindigen in geweld. Als een deelnemer door goede tactiek, communicatie en besluitvorming alle problemen uit een situatie haalt, moet het scenario niet alsnog kunstmatig escaleren omdat er in het draaiboek staat dat de verdachte in verzet komt. De uitdaging wordt daarmee niet: hoe maken we het scenario zo spectaculair mogelijk?, maar: hoe gebruiken we onze schaarse trainingstijd om precies die vaardigheden te oefenen die er buiten toe doen?

IBT-docent zijn is een vak. Betere scenariotraining stelt uiteindelijk ook hogere eisen aan degene die voor de groep staat. Een instructeur moet niet alleen operationele vaardigheden beheersen, maar deelnemers kunnen lezen, een veilige leeromgeving creëren, weten wat een scenario werkelijk traint en kunnen schakelen wanneer een deelnemer iets anders laat zien dan het draaiboek voorspelde. In het gesprek wordt daarom gevraagd of docentschap een plaatsing is of een vak. Het antwoord is helder: “Voor mij is het een vak en daar zal ik me ook altijd hard voor maken.” Wendy ziet dat besef ook binnen organisaties groeien: “Ik zie echt wel dat we op alle OTC’s, OTGO’s zien en snappen dat als je goede mensen wil, dan zul je goede opleiders moeten hebben.” En uiteindelijk raakt dat direct aan operationeel presteren: “De kwaliteit van hoe onze mensen opgeleid zijn, dat dat een directe relatie heeft met hoe ze het doen als het spannend wordt.” Misschien is dat wel de belangrijkste boodschap voor IBT: investeren in de professionaliteit van de trainer is geen extraatje naast het operationele werk. Het is een voorwaarde om dat operationele werk beter te kunnen doen.