Trauma: opgeslagen in het lichaam of voorspeld door het brein?

De mensen die bij mij komen hebben geen behoefte te weten of de body wel of niet de score bijhoudt. Of dat het brein dat doet.

Beide zijn belangrijk.

Ze hebben iemand nodig die aandacht heeft voor het lichaam. En iemand die weet heeft van het voorspellende karakter van het brein.

Niet alleen een ‘human doing’ maar ook een human ‘being’.

En vooral iemand die er primair en vooral ‘is’.

Emoties uitzetten is een vaardigheid. Ze weer aanzetten ook. Iedereen die ooit onder extreme druk heeft gewerkt, kent het verschijnsel.

Wanneer een militair onder vuur ligt, een politieagent een gewapende verdachte benadert of een hulpverlener een ernstig ongeval binnenstapt, is er vaak geen tijd om uitgebreid stil te staan bij gevoelens. Op zulke momenten moet er gehandeld worden. De aandacht vernauwt zich tot wat noodzakelijk is. Het lichaam schakelt over naar actie. Angst, verdriet, twijfel en kwetsbaarheid verdwijnen naar de achtergrond.

Het is een indrukwekkend vermogen van het menselijk systeem. Het brein en het lichaam zijn ontworpen om ons te helpen overleven.

Op dat moment is het vaak verstandig dat emoties tijdelijk op de achterbank plaatsnemen.

Het probleem ontstaat wanneer we vergeten hoe we ze weer aanzetten.

Veel professionals ontdekken pas jaren later dat het systeem dat hen ooit hielp overleven, nog steeds aanstaat. De missie is voorbij. De inzet is voorbij. Het gevaar is voorbij. Maar het lichaam lijkt dat nieuws nooit helemaal ontvangen te hebben.

Veel mensen kennen het boek The Body Keeps the Score van psychiater Bessel van der Kolk. Zijn centrale boodschap was dat trauma niet alleen een verhaal in ons hoofd is. Traumatische ervaringen beïnvloeden ook ons lichaam, ons zenuwstelsel en ons gevoel van veiligheid.

The Body Keeps the Score was voor mij enorm verrijkend. Het hielp begrijpen dat trauma niet alleen een cognitief probleem is. Het legitimeerde lichamelijke ervaringen van trauma. Maar zoals het altijd gaat: misschien is de metafoor te letterlijk genomen.

Volgens beroemde emotie onderzoeker Lisa Feldman Barrett is het probleem dat metaforen in de populaire psychologie vaak als feitelijke verklaringen gaan circuleren, terwijl het eigenlijk vereenvoudigde beelden zijn. Daardoor kunnen ze beleid, onderwijs en hulpverlening beïnvloeden op basis van een onjuist model van gedrag en emotie.

Barrett gebruikt zelf ook metaforen, zoals “body budget”, maar zij presenteert die als hulpmiddelen om complexe processen begrijpelijk te maken, niet als letterlijke anatomische beschrijvingen. Het verschil is dus: een goede metafoor moet uitleggen, maar niet verhullen dat het om een model gaat.

Recent hebben neurowetenschappers zoals Steven Kotler, Michael Mannino en Karl Friston daar een nieuwe invalshoek aan toegevoegd.

Zij stellen dat trauma waarschijnlijk niet letterlijk ergens in spieren of bindweefsel wordt opgeslagen. Volgens hen ontstaat het probleem doordat het brein gevaar blijft voorspellen, ook wanneer het gevaar verdwenen is. Het systeem leert als het ware dat de wereld onveilig is en blijft vervolgens voortdurend zoeken naar bevestiging van die verwachting.

In de discussie rond trauma kwam ik een begrip tegen dat ik bijzonder bruikbaar vind: metastability. Een ingewikkeld woord voor een eenvoudig idee.

Een gezond zenuwstelsel kan soepel schakelen tussen verschillende toestanden. Het kan van spanning naar ontspanning bewegen. Van focus naar overzicht. Van actie naar herstel. Van waakzaamheid naar rust.

Trauma is volgens deze onderzoekers niet in de eerste plaats een probleem van angst.

Trauma is een probleem van vastlopen.

Het systeem verliest flexibiliteit.

Een gezond systeem kan schakelen tussen hard en zacht, tussen alertheid en ontspanning, tussen betrokkenheid en afstand. Een ontregeld systeem raakt juist gevangen in één stand.

Dat kan zichtbaar worden als voortdurend alert blijven, moeite hebben om af te schakelen, emotioneel afsluiten of vervallen in zwart-wit denken.

Herstel betekent dan niet dat iemand minder gevoelig wordt, maar dat hij opnieuw leert schakelen. Dat hij spanning kan ervaren zonder erin vast te lopen, en rust kan toelaten zonder het gevoel te hebben de controle te verliezen.

Dat verklaart ook waarom herstel vaak niet begint met praten.

“You cannot talk a frightened nervous system out of its fear.”

Een zenuwstelsel dat zich onveilig voelt, laat zich niet overtuigen door logische argumenten. Daarom spelen ademhaling, beweging, natuur, relaties, lichaamsbewustzijn en veiligheid zo’n belangrijke rol. Ze bieden het systeem nieuwe ervaringen. Ze laten voelen wat woorden soms niet kunnen uitleggen.

Hier voegen Kotler en zijn collega’s nog een interessant idee aan toe: flow.

Flow ontstaat wanneer iemand volledig opgaat in een betekenisvolle activiteit die uitdagend is, maar niet overweldigend. Tijdens zulke momenten leert het systeem iets belangrijks:

Ik ben geactiveerd én veilig.

Mijn hartslag is hoog én ik ben veilig.

Mijn aandacht is volledig gericht én ik ben veilig.

In de woorden van de auteurs:

“Arousal and safety can coexist.”

Misschien is dat wel de essentie van herstel. Niet leren hoe je spanning vermijdt. Niet leren hoe je emoties uitschakelt. Maar leren dat activatie, gevoel en veiligheid naast elkaar kunnen bestaan.

Flow helpt om de flexibiliteit van het zenuwstelsel te herstellen doordat het systeem nieuwe ervaringen opdoet. Een hoge hartslag, volledige concentratie en lichamelijke activatie betekenen niet automatisch dat er gevaar dreigt.

Mentale weerbaarheid gaat niet over minder voelen of minder geactiveerd zijn. Het gaat over het vermogen om onder spanning flexibel te blijven en te ervaren dat alertheid en veiligheid tegelijkertijd kunnen bestaan.