IBT Snack-30: Richard van Eijsden. Lessen van 25 jaar IBT onderwijs.

Richard werkt al 25 jaar als IBT docent. En elke week staan we bij IBT op de mat. Nog steeds. Nog steeds, want judo is Richards grote liefde. Al 60 jaar op de mat. Voor IBT werkte hij bij defensie en bij justitie als sport-docent. En volgde de CIOS opleiding. Want Richard is docent in hart in en nieren.

Binnen IBT heeft hij zich gespecialiseerd in ME en hondengeleiders training. Richard was voor ons en voor mij altijd het nuchtere geweten. Als we weer eens helemaal in de ban waren van een trend zette Richard ons weer even stevig op de grond. Hou het eenvoudig en praktisch was altijd zijn motto.

Iets anders wat ik van hem leerde: schoenmaker blijf bij je leest. Gooi niet alles over de schutting van IBT: houd het zoveel mogelijk bij geweld en gevaarbeheersing.

Wat waren hoogtepunten?

Hoogtepunten zijn voor mij toch altijd wel geweest het samenwerken met de hondengeleiders binnen het reguliere verband en binnen het ME-verband. Dat is een echt hoogtepunt als je het hebt over inhoud. Op de foto Richard met Samuel Hein aan het oefenen!

En ja, als ik het heb over een hoogtepunt, dan denk ik ook aan de groep die we vroeger hadden, waar jij zelf bij zat. IBT Utrecht. En aan de periode onder leiding van Gert-Jan. Dat was een hele fijne tijd, waarin we echt goed konden inspelen op de vraag van de klant. Gert-Jan gaf veel ruimte om dingen te doen die echt nodig waren voor Blauw. Zo heb ik dat altijd ervaren. Daardoor konden we ook echt doen wat nodig was.

Waar is IBT voor op aarde?

De kern is geweld en gevaarbeheersing. We moeten op passen dat we niet teveel gaan aanbieden. Zeker in de weinige trainingstijd die we hebben. En houd het dan praktisch en eenvoudig.

Heb je tips voor beginnende IBT docenten?

Mijn tip is: ga gewoon snel voor de groep staan. Wees ook niet bang om fouten te maken, want die zul je ongetwijfeld maken.

Ik loop inmiddels al een paar jaar mee als IBT-docent en daarvoor heb ik ook altijd lesgegeven en instructie verzorgd. En nog steeds maak ik fouten.

Schroom ook niet om dat gewoon te benoemen. Soms lopen dingen niet zoals ik had gedacht. Dan is dat maar zo.

En er is een beetje zo’n algemene uitspraak: er zijn geen slechte leerlingen, alleen slechte docenten. Als je gewoon aanstaat en echt interesse toont, dan krijg je bijna elke groep wel aan het werk. Dus ja, slechte leerlingen zijn er eigenlijk niet — het gaat er vooral om hoe je er als docent staat.

Wat heeft een docent daarvoor nodig? Als je daar even over nadenkt of op terugkijkt: kun je dat nog herinneren? Wat heb je daarvoor nodig qua inhoud?

Wat een docent echt nodig heeft, is interesse in de mens en de drive om van anderen te leren. Als je het daarover hebt, dan denk ik dat het – misschien klinkt dat wat zwaar – ook een soort roeping is. Je vindt het gewoon heel leuk om mensen iets bij te brengen. Ik ben van huis uit gewoon docent. Ik hoef eigenlijk niets anders. De jongens die vanuit Blauw komen, zijn in de basis geen docent. Anders waren ze wel docent geworden. Maar ze kunnen wel een goede docent worden natuurlijk.

Op het moment dat je een opleiding volgt, krijg je handvatten waardoor je er beter in wordt. Maar in de basis moet je het ook gewoon leuk vinden om mensen iets mee te geven.

Ben jij dat altijd al geweest?

Ja, eigenlijk wel. Ik heb ook nog een tijd bij Defensie gezeten. Daar was ik sergeant-instructeur en gaf ik al instructie. Dat was misschien iets meer instructie dan echt doceren, maar daar begon het wel. Toen ben ik in het gevangeniswezen terecht gekomen. Daar heb ik echt als docent lichamelijke opvoeding gewerkt. Daar geef je mensen ook al dingen mee. En dat doe ik nog steeds. Ik vind het nog steeds leuk.

Wat moet een (IBT) opleiding aanbieden?

Veel voor de groep staan. Wat je vooral moet leren volgens mij is flexibiliteit en improviseren. Als ik terugga naar mijn eigen opleiding op het CIOS, dan was dat het geval.. Veel zelf regelen, flexibel zijn en goed kunnen organiseren. Je moet het gewoon zelf doen. Ik ervaar dat ook hier weer op de locatie waar we nu zitten. Maar doordat je gewoon goed kunt improviseren, dan kun je mensen altijd gewoon functioneel begeleiden. En kijken waar de behoefte ligt.

Maar als je niet kunt improviseren, je heel erg vasthoudt aan een bepaald lesplan en daar niet van kan afwijken, dan sla je de plank mis.

Want je hebt in je hoofd altijd een bepaald lesplan. In de praktijk loopt dat bijna altijd anders. Soms merk je dat de beginsituatie toch niet klopt en moet je het plan aanpassen.

Dat kun je een beetje vergelijken met een bokswedstrijd: je hebt een gameplan, maar zodra je de eerste klap voor je kop krijgt, verandert dat hele plan.

Dat geldt ook in een gevechtssituatie. Je hebt iets in je hoofd, maar het loopt vaak anders dan je denkt. En dat is in een les eigenlijk precies hetzelfde.

Soms staat je groep niet aan, terwijl jij enthousiast binnenkomt. Dan moet je eerst iets te vinden om ze aan te zetten. Dus leer daar gewoon mee omgaan. Op een opleiding kun je dit oefenen. Zet ze af en toe voor het blok. Je moet een les volleybal geven, ik noem maar iets. Maar we hebben geen volleyballen, maar ik wil toch een volleyballes zien. Ik heb wel 50 tennisballen. Hetzelfde geldt ook voor een schietbaan. Je hebt een bepaalde schietbaan in gedachten. Een 6-punt schietbaan, maar het blijkt een 2-punt schietbaan. Regel het maar met 10 man.

Wie zijn rolmodellen voor jou geweest?

Ja, die heb ik zeker gehad. Op het CIOS bijvoorbeeld. Daar had ik een docent atletiek, Hennie Bottenberg. Een bevlogen man, met heel veel passie voor het vak.

Maar als ik het over judo heb, dan kom ik toch uit bij mijn eerste judoleraar. Dat is echt een voorbeeld voor mij geweest. Vanaf mijn vijfde tot mijn achttiende jaar was dat Teun Tromp. Hij is helaas inmiddels overleden. Maar hij heeft wel voor een groot deel van mijn ‘opvoeding’ gezorgd.

Wat deed hij goed?
Structuur bieden. Echt oldschool. Ja, en daar geloof ik nog steeds in, in je les een bepaalde structuur. Ik ben echt wel ouderwets. De docent bepaalt zeker bij beginnende deelnemers wat goed voor ze is. En naarmate je verder in een proces zit, kun je eigen behoeftes gaan aangeven en dan gaan we daarmee aan de slag.

Weet je wie ik ook wel een goede docent vond? Dat was Richard Kreijne. Echt een docent. Die vond ik heel geschikt voor werkstudenten, voor beginnende politieagenten. Ook heel bevlogen, had structuur en was zorgvuldig. Gewoon een serieuze kerel die het begreep.

Wat leert Judo jou?

Judo is letterlijk vallen en opstaan. Ook in het leven of na blessures. Dan val je toch weer terug op jezelf en moet je zorgen dat je weer fit wordt. Het is eigenlijk steeds weer vallen en opstaan. Ja, dat is eigenlijk wel mooi.

En op een gegeven moment heb ik ook wel op een redelijk niveau judo gedaan. Natuurlijk heb je dan ook momenten dat je een beetje medelijden met jezelf had. Maar de coach motiveerde je dan toch om weer de mat op te gaan. Daar leer je toch van: ook hier kom ik wel weer doorheen.

Wat neem je mee uit het Budo?

Als je uit die budosport komt, neem je ook een aantal dingen mee. Discipline, respect voor een ander, en een stuk zelfvertrouwen. Daardoor sta je ook vrij onbevangen voor een groep.

Als je kijkt naar ons vak – geweld tegen verdachten – dan zit dat er eigenlijk al een beetje in. Ik doe het vanaf mijn vijfde en nog steeds, al is het nu op recreatief niveau.

In je leven heb je zo vaak op die mat gestaan dat het eigenlijk een soort tweede huis wordt.

Is Judo ook van waarde voor de Politie?

Sommige mensen zeggen dan: judo is niet realistisch voor politiewerk. Je staat op straat immers niet op een judomat. Maar ik denk juist dat judo heel realistisch is.

Als ik kijk naar vaardigheden, dan liggen judo, jiujitsu en worstelen wat mij betreft het dichtst bij politiewerk. Daarna komen sporten als boksen, kickboksen en karate.

In principe sla je een verdachte namelijk niet meteen neer om hem aan te houden. Het gaat vaak om pakken, controleren en fysiek contact op korte afstand.

Bij boksen, karate of kickboksen werk je meer op afstand om een goede stoot of trap te kunnen geven. Bij judo en worstelen zit je juist constant in fysiek contact.

Daarom denk ik dat juist die sporten het dichtst bij het werk liggen dat wij doen.

Nog één dingetje waar ik dan wel benieuwd naar ben. Al ga ik zelf met alle IBT activiteiten stoppen. Maar hoe zie jij de rol van wetenschappelijk onderzoek? Want je loopt ook heel lang mee. Dus je hebt heel veel voorbij zien komen.

Wat ik eigenlijk altijd heel graag zou willen zien, is meer inzicht in het nut en noodzaak van de trainingen die wij geven. Dat zien we zelf namelijk niet altijd terug. Op het moment dat je daar wetenschappelijk onderzoek naar doet, kun je dingen bevestigen of misschien juist ontkrachten.

Dus als je het hebt over wetenschappelijk onderzoek, denk ik dat dat absoluut een meerwaarde kan zijn voor ons werk.

Een mooi voorbeeld is dat we vorig jaar de-escalerende communicatie hebben geïntroduceerd. Dan is de vraag: wat is nou eigenlijk het effect daarvan? Heeft de manier van communiceren invloed op geweld en gevaar?

Komen er uiteindelijk minder geweldsaanwendingen? Komen er minder klachten over ons optreden? Dat zou ik wel eens willen weten. Zie je dat uiteindelijk ook terug in de manier waarop geweld wordt toegepast?

Tegelijkertijd is de praktijk ook lastig. Als ik terugkijk, zijn er door de jaren heen zoveel initiatieven en ideeën voorbijgekomen. Maar het is moeilijk om echt zichtbaar te maken wat het effect daarvan is.

Als je kijkt naar IBT, dan trainen wij mensen eigenlijk maar voor een heel klein deel van hun werk. De kans dat iemand daadwerkelijk in een geweldsincident terechtkomt – waarbij echt moet worden gevochten of zelfs geschoten – is in Nederland relatief klein.

Aan de ene kant is dat natuurlijk gunstig. Maar aan de andere kant schuilt daar ook een gevaar in. Mensen kunnen gaan denken dat het altijd wel goed gaat. Tot die ene keer dat het niet goed gaat.

Wij trainen mensen juist voor dat soort momenten. Sommige collega’s zeggen: ik kom hier voor die twee procent van het werk. Maar anderen denken: het gaat eigenlijk altijd wel goed. Totdat het dus een keer misgaat.

Als je daar een metafoor bij zoekt, kun je het vergelijken met honkbal. Je staat misschien ergens ver in het veld en die bal komt zelden jouw kant op. Maar die ene keer dat hij wel komt, moet je hem wel kunnen vangen.

Dat geldt voor ons ook. De keer dat je moet vechten is vrij klein. De keer dat je moet schieten is eigenlijk nog kleiner. Maar als het moet gebeuren, dan moet je er wel klaar voor zijn. En dat moet wel goed gebeuren.

Uiteindelijk gaat het erom dat je mensen die bewustwording van nut en noodzaak meegeeft. Ik kan dat natuurlijk wel zeggen, maar ik ben geen wetenschapper. Op het moment dat je iets echt onderzoekt en je het kunt aantonen met cijfers en statistieken, dan wordt het sterker.

Ik kan het wel uitleggen, maar ik kan het niet echt onderbouwen met harde data. Er zijn in het verleden wel wat onderzoeken geweest, bijvoorbeeld van Jaap Timmer. Maar over de jaren heen is er eigenlijk niet zo heel veel onderzoek gedaan, of het is in ieder geval binnen IBT minder bekend.

Er wordt wel onderzoek gedaan – ik denk bijvoorbeeld aan het onderzoek van Wendy – maar ergens lijkt er een soort gat te zitten. IBT krijgt daar soms een keer iets van mee, bijvoorbeeld via een lezing of doordat iemand er iets over vertelt, maar het landt niet echt structureel.

Nog iets vergeten?

Als je erover nadenkt: hoeveel IBT-momenten bieden wij per jaar aan? Vier keer. Terwijl je, als je kijkt naar trainingsprincipes, iets veel vaker moet herhalen om het echt goed in je systeem te krijgen.

Een sporter zou tegen mij zeggen: als je een gemiddeld niveau wilt halen, moet je één of twee keer per week trainen. Wil je topsporter worden, dan train je bijna dagelijks.

Als je dan bedenkt dat ons werk in het slechtste geval over leven en dood kan gaan, en je komt maar vier keer per jaar trainen, dan is het bijzonder dat we daar als organisatie eigenlijk tevreden mee zijn.

Wat ook interessant is: het is eigenlijk een vrij hard wetenschappelijk gegeven dat het beter is om bijvoorbeeld acht keer per jaar een halve dag te trainen dan vier keer een hele dag. Maar dat krijg je organisatorisch vaak niet voor elkaar.

Dat heeft natuurlijk te maken met planning. Je krijgt dan een spanningsveld tussen wat er op straat nodig is en wat er aan training mogelijk is.

In het verleden hebben we daar ook naar gekeken, toen we nog op Paardenveld zaten. De vraag was: kunnen we bijvoorbeeld elke maand een dag IBT aanbieden? Maar dat bleek gewoon niet te plannen. Niet met het aantal docenten dat we hadden, en ook niet met het aantal mensen dat op straat nodig was.

Dus je loopt altijd tegen bepaalde randvoorwaarden aan.

Werkt IBT dan nog steeds?

Wat wel interessant blijft – is dat agenten soms zeggen : het is net alsof ik in IBT zat! Terwijl we eigenlijk maar zo weinig trainen. Hoe kan het dat dat toch blijft hangen? Dat zou ook een mooi onderwerp voor onderzoek zijn.

Je zou ook kunnen zeggen dat een agent eigenlijk elke dag traint, als je het werk zelf ook als training ziet. Misschien is dat een beetje vergezocht, maar als je het vergelijkt met bijvoorbeeld Amerikaanse honkbalspelers: die spelen misschien tachtig wedstrijden per jaar, maar trainen daarnaast niet eens zo heel veel. De wedstrijd zelf ís hun training.

In ons werk zou je dan ook kunnen denken aan een soort leerstand tijdens de dienst. Dat je elkaar aanspreekt op dingen die goed of minder goed gaan. Dat je leert van collega’s met meer ervaring.

Maar dat vraagt wel een bepaalde mindset. En het moet ook in het systeem zitten.

Dat was natuurlijk ook het idee achter IBT op de werkvloer, waarbij docenten meedraaien in de praktijk. Maar ik heb het idee dat dat nog te weinig gebeurt. Het is al een oud idee, maar in de praktijk bereik je er vaak maar een beperkte groep mee.

Daarnaast is het ook afhankelijk van de dienst. Als je bijvoorbeeld op maandagochtend op de auto zit, kan het rustig zijn. Maar als je met de horecadienst in Utrecht meedraait, kun je van de ene melding naar de andere gaan. Dat is dus eigenlijk niet goed te plannen.

Daarom blijft gezamenlijke training uiteindelijk toch belangrijk.

En dan nog iets anders. Hoe lang blijf jij eigenlijk nog werken?

In principe nog twee jaar. Dan ga ik met pensioen.

Maar eerlijk gezegd vind ik het werk nog steeds leuk. Het is eigenlijk ook een soort passie. En die verdwijnt natuurlijk niet zomaar.

Lees meer over Richard in dit boek!