
Dit is één van de laatste IBT-snacks voordat ik mijn IBT-werk afsluit. We kijken naar wat bodycambeelden laten zien — en vooral naar wat ze níét laten zien vergeleken met wat een agent ziet, voelt en verwerkt in een gevaarlijke situatie.
✔ WAT?
Bodycambeelden kritisch gebruiken in IBT-training
✔ WANNEER?
Bij analyse, training, debriefs en beoordeling van geweldsincidenten
✔ HOE?
Gebruik bodycambeelden als één informatiebron, altijd in combinatie met verbale reconstructie, kennis over visueel zoekgedrag en – waar mogelijk – scenario-heropvoeringen
✔ WAAROM?
Bodycams missen 30–50% van kritieke gebeurtenissen en tonen geen selectieve aandacht, patroonherkenning of real-time besluitvorming onder tijdsdruk.
Ook laten BWC niet zien wat het effect van emoties is op de waarneming en perceptie van agenten. Er staan is anders dan videobeelden bekijken.
✔ WAT BETEKENT DIT?
Train visueel zoeken en aandacht onder stress; baseer debriefs nooit uitsluitend op bodycambeelden en informeer trainers, leidinggevenden en onderzoekers expliciet over deze beperkingen.
Het onderzoek
Zijn Body Cam beelden bruikbaar in de IBT training? Ik las het artikel “The Eyes Have It! Functional field of view differences between visual search behavior and body-worn cameras during a use-of-force response in active-duty police officers.” Eerst volgt de samenvating en dan een vraag en antwoordt met de auteur.
Samenvatting
Hoewel bodycams (BWC’s) van politieagenten de transparantie van politie-interacties binnen de gemeenschap hebben vergroot, hebben deze camera’s een beperkt gezichtsveld, zijn ze gevoelig voor bias, en houden ze geen rekening met factoren die snelle besluitvorming beïnvloeden. Daarbij gaat het onder meer om visuele aandachtscontrole en perceptuele processen van agenten.
Het doel van deze studie was om het cameraperspectief van zes kritieke incidenten en positiegegevens van bodycams te vergelijken met eye-tracking- en hoofdbewegingsdata in een geweldstoepassingsscenario bij 44 actieve politieagenten.
Analyse van gyroscoop- en accelerometerdata liet lage correlaties zien tussen oogcamera’s en de positiegegevens van bodycams. Agenten richtten hun aandacht op 80,5% van alle kritieke incidenten, terwijl het beeld van de bodycam slechts 66,2% vastlegde, waarbij vooral sleutelgebeurtenissen (kritieke momenten) vaak werden gemist (minder dan 48%).
De bodycambeelden gaven bovendien geen inzicht in de visuele informatie en het gedrag van verdachten, potentiële dreigingen en omstanders, terwijl juist deze factoren een cruciale rol spelen in de besluitvorming van agenten tijdens geweldsincidenten.
De onderzoekers identificeerden zes sleutelmomenten in het scenario, variërend van vroege waarschuwingssignalen tot acute dreigingen. Deze momenten omvatten onder andere het uitstappen van een passagier uit het voertuig van de dader, een escalatie naar vernieling van eigendommen met een knuppel, het gooien van een voorwerp door een omstander, en uiteindelijk het moment waarop de dader een wapen pakte en afvuurde.
De onderzoekers richtten zich vooral op de verschillen tussen wat agenten daadwerkelijk zagen en wat de bodycam (BWC) vastlegde. De onderstaande figuur laat deze verschillen zien: de lichtgrijze kolommen geven weer wat de agenten waarnamen, en de donkerdere kolommen tonen wat door de bodycam werd vastgelegd.
Het verschil tussen wat een bodycam laat zien en wat een politieagent daadwerkelijk ziet heeft belangrijke gevolgen. Op basis van het hierboven beschreven scenario en de bijbehorende data zijn er veel situaties waarin de agent zag dat de verdachte een wapen pakte en afvuurde, terwijl dit niet werd vastgelegd door de bodycam.
Als ervan wordt uitgegaan dat de bodycam alles vastlegt wat een agent ziet, kan dat misleidend zijn voor interne onderzoekers, het publiek en rechters of jury’s bij de beoordeling van een incident. Wanneer bodycambeelden worden behandeld als de volledige waarheid, in plaats van één van de bewijsmiddelen, bestaat het risico dat cruciale context ontbreekt.
Het begrijpen van de beperkingen van bodycams is daarom niet alleen belangrijk — het is noodzakelijk.

Verdiepende vragen aan de auteur
Uw studie laat zien dat de daadwerkelijke visuele ervaring van agenten tijdens een use-of-force-incident sterk verschilt van wat een op de borst gemonteerde body-worn camera vastlegt. Bij 44 agenten registreerde eye-tracking 80,5% van de kritieke incidenten, terwijl BWC’s slechts 66,2% vastlegden, waarbij vaak belangrijke dreigingssignalen zoals het pakken van een wapen en het eerste schot werden gemist. Hoofd–oogbewegingen vertoonden vrijwel geen correlatie met de oriëntatie van de bodycam, wat bevestigt dat BWC’s het daadwerkelijke visuele zoekgedrag van een agent niet representeren.
Omdat bodycams geen selectieve aandacht, patroonherkenning of snelle perceptueel-cognitieve verwerking kunnen laten zien, bestaat het risico dat zij een onvolledig of misleidend beeld geven van wat de agent daadwerkelijk heeft waargenomen. Uw belangrijkste conclusie is dat BWC-beelden op zichzelf onvoldoende zijn om politie-besluitvorming te beoordelen; organisaties zouden deze beperkingen duidelijk moeten communiceren en aanvullende perspectieven of camera’s op ooghoogte moeten overwegen.
Antwoord dr. Murray
Ja, dit is een correcte uitspraak. Bodycams weerspiegelen geen selectieve aandacht, patroonherkenning enzovoort. Bovendien geven bodycams mogelijk niet het percentage tijd weer dat beschikbaar is (real-time) om informatie te verwerken. Vaak worden deze beelden vertraagd of herhaald, waardoor de verwerking door de kijker anders is dan de keuze-reactietijd die nodig is om beslissingen te nemen (dit gaat om milliseconden).
1. Bodycambeelden ≠ wat de agent daadwerkelijk zag
Trainers moeten begrijpen — en expliciet onderwijzen — dat een op de borst gemonteerde camera niet de echte visuele ervaring van een agent weerspiegelt. Ogen en hoofd bewegen voortdurend; de borst niet.
Antwoord dr. Murray
Een belangrijker kwestie is trainingscontext-afhankelijke visuele expertise.
2. Agenten nemen beslissingen op basis van kijkgedrag, niet op borst-gecentreerde beelden.
Besluitvorming in stressvolle situaties is afhankelijk van:
- patroonherkenning
- het detecteren van subtiele dreigingssignalen
- focussen op de juiste informatie op het juiste moment (“quiet eye”)
Deze elementen zijn onzichtbaar op bodycambeelden.
Antwoord dr. Murray
Dit is correct, met name de factoren die patroonherkenning beïnvloeden, die afhankelijk is van tactische training, impliciete kennis en contextafhankelijk visueel zoeken.
3. Training moet zich richten op het verbeteren van visueel zoeken en aandacht onder stress.
Omdat visie tactische besluitvorming aanstuurt, moet training bestaan uit:
- waar te kijken
- wanneer te kijken
- hoe lang te fixeren
- scanpatronen
- hoofd–oogcoördinatie
- schieten en bewegen met kijkcontrole
Antwoord dr. Murray
Alles klopt; uit ons artikel over tactische besluitvorming: “Selectieve aandacht vertegenwoordigt een mechanisme waarmee agenten de overvloedige en soms complexe zintuiglijke prikkels in hun omgeving op elk moment filteren. Omdat aandachtsbronnen beperkt zijn, is passende professionele training noodzakelijk om agenten te helpen relevante prikkels te herkennen binnen en tussen hun verschillende operationele omgevingen, die vervolgens hun relevante en passende toekomstige keuzes en gedragingen kunnen sturen.”
4. Debriefs mogen niet uitsluitend op body-cambeelden worden gebaseerd.
Debriefing die alleen is gebaseerd op BWC-materiaal kan leiden tot:
- oneerlijke oordelen (“dat had je moeten zien”)
- hindsight bias
- misverstanden over keuzes van agenten
Debriefs moeten het volgende bevatten:
- verbale reconstructie
- subjectieve waarneming van de agent
- bespreking van hoofd–oog–lichaamsuitlijning
- scenario-heropvoeringen waar mogelijk
Antwoord dr. Murray
Een ander onvoldoende begrepen aspect is de inschatting van afstand. Door camerahoeken kunnen objecten dichterbij of verder weg lijken, vooral zonder een bekend referentiepunt. Scenario-gebaseerde heropvoeringen kunnen helpen; ze kunnen echter nog steeds gevoelig zijn voor bias door veranderingen in tijdsdruk.
5. Trainers moeten besluitvormers informeren over de beperkingen van bodycams
Leidinggevenden, onderzoekers, aanklagers en de media behandelen BWC’s vaak als objectieve waarheid.
De studie laat zien dat dit onjuist is.
Organisaties zouden proactief moeten onderwijzen:
“Bodycams missen 30–50% van de gebeurtenissen die het handelen van de agent hebben gestuurd.”
Antwoord dr. Murray
Hier ben ik het mee eens.
1). Murray, N. P., Lewinski, W., Allen, C., Sandri Heidner, G., Albin, M. W., & Horn, R. (2024). The eyes have it! Functional field of view differences between visual search behavior and body-worn camera during a use of force response in active-duty police officers. Police Practice and Research, 25(4), 490–497