
“Je komt in een doodsfabriek terecht waar de kogels en de granaten worden afgevuurd door soldaten die je nooit in het gezicht ziet.” Met verbijstering en fascinatie luisterde ik naar de podcast (1) over Jüngers boek Totale mobilisatie en andere essays. De omstreden oorlogsveteraan, schrijver en filosoof Ernst Jünger schets een beeld van de mens die vermorzeld wordt door de techniek. Een beeld dat me onrustig maakt en waarvan ik niet weet of het waar is.
In filosofie magazine staat: “De Duitse filosoof en schrijver Ernst Jünger (1895-1998) is omstreden; hij was overtuigd militarist, had extreemrechtse ideeën en stond ambivalent tegenover het nationaalsocialisme. Toch loont het om hem te lezen, schrijft cultuurwetenschapper Arnold Heumakers in zijn voorwoord bij Totale mobilisatie en andere essays. Als nietzscheaan verkoos Jünger een gevaarlijk leven boven een burgerlijk bestaan. Een actueel boek, dat laat zien dat mensen ook zonder rationele grond naar oorlog verlangen.”
Twee zorgen
Na het luisteren en lezen komen twee zorgen naar voren: de ongekende macht van de techniek en de irrationele kant van oorlog (haast de lust tot oorlog lijkt het wel).
De mens als slaaf van de techniek
Wat mij het meeste bijblijft is dat de techniek – en dus ook oorlogsvoering – een eigen logica ontwikkeld waaruit het moeilijk ontsnappen is.
Zoals ik het lees en hoor verschijnt techniek als de motor van een permanente mobilisering van samenleving en mens: alles – arbeid, oorlog, economie, zelfs rust en vrije tijd – wordt in dienst gesteld van een technisch-organisatorische logica die maximale inzet en efficiëntie eist.
De mens wordt daarin minder een autonoom individu en meer een “gestalte” of type (de Arbeiter) die zich vormt naar de eisen van het technische tijdperk: discipline, pijnverduren, inzetbaarheid, functie.
Er lijkt haast geen ontsnappen aan de techniek, en wie in deze tijd wil leven, moet zich ertoe verhouden door zich eraan aan te passen. Tegelijk waarschuwt hij dat techniek niet alleen comfort en beheersing brengt, maar ook nihilisme kan versterken: waarden worden instrumenteel, de massa wordt manipuleerbaar, en mensen die niet mee kunnen transformeren raken geïsoleerd
Het concept “totale mobilisatie” is direct aan oorlog ontleend: in de moderne oorlog wordt niet alleen het leger, maar de hele samenleving – industrie, wetenschap, propaganda, verkeer – in technische zin gemobiliseerd.
Daarmee wordt oorlog een model voor de hele moderne maatschappij: ook in vrede draait alles om inzetbaarheid, planning, organisatie en de continue beschikbaarheid van mens en techniek.
De technische oorlog vergroot de afstand tussen doder en gedode: artillerie, bombardementen en later lucht‑ en raketoorlog maken geweld anoniemer en abstracter. Of is dat in Oekraine en andere oorlogen niet helemaal waar?
Innerlijke totale interpreteer ik als het moment waarop de mens zichzelf van binnenuit volledig in dienst stelt van de logica van techniek, inzetbaarheid en strijd — niet omdat hij daartoe wordt gedwongen, maar omdat hij het innerlijk heeft geïnternaliseerd.
Bij innerlijke totale mobilisatie ervaar ik mezelf als:
primair een functie
waardevol zolang ik inzetbaar ben
rustend om daarna weer beter te presteren
iemand voor wie stilte al snel inefficiënt voelt
iemand die twijfel als zwakte ervaart
iemand die kwetsbaarheid beleeft als storing
iemand bij wie morele vragen verschuiven naar operationele afwegingen
Ach misschien zie ik het te zwaar.
De techniek brengt immers ook veel.
Junger en de Oorlog
Junger gaat de Eerste Wereldoorlog in vanuit een honger naar avontuur, intensiteit en betekenis. Zoals hij zelf zegt:
“Ik ben vrijwilliger geworden in de Eerste Wereldoorlog. Niet zozeer uit nationalistische motieven, maar om avonturen te beleven.”
Maar de romantische verwachting waarmee hij vertrekt, wordt vrijwel onmiddellijk verbrijzeld door de industriële werkelijkheid van de moderne oorlog. De oorlog blijkt geen heroïsch avontuur, maar een onpersoonlijke machine van vernietiging:
“Het werden geen avonturen. Het werd iets heel anders dan hij zich had voorgenomen.”
Hij belandt, zoals Heumakers treffend zegt, in de kern van de moderne techniek:
“Je komt in een doodsfabriek terecht waar de kogels en de granaten worden afgevuurd door soldaten die je nooit in het gezicht ziet.”
Het front confronteert hem met de radicale ontmenselijking van moderne oorlogsvoering: afstand, massaliteit, anonimiteit en de dominantie van technologie. Juist in deze loopgraven krijgt Jünger zijn beslissende inzicht: de techniek onthult een nieuw soort mens en een nieuw wereldtijdperk.
Zoals het in het gesprek wordt verwoord:
“Die ervaring van techniek in die Eerste Wereldoorlog heeft hem diepgaand getekend… een rode draad in hun hele leven geworden.”
Een nieuwe gestalte wordt geboren
In het vuur van WOI ervaart Jünger een Gestaltwissel: de burgerlijke mens van voor 1914 sterft in de modder, en er ontstaat een nieuwe gestalte — de technisch gevormde mens, later door Jünger de Arbeider genoemd. Deze ontdekking komt abrupt en bijna fysiek:
“In die loopgraven ontdekt hij dat, met een schok.”
Hij ziet dat niet alleen de soldaat verandert, maar dat de hele wereld een technische structuur aanneemt die alles in “arbeid” verandert — een proces dat hij later totale mobilisatie noemt. In deze oorlog wordt hij het eerste ogenblik gewaar van dat proces.
De Arbeider is voor Jünger de naam voor de moderne mens die volledig gevormd en gedisciplineerd is door techniek: onderdeel van een totaal gemobiliseerde wereld, instrumenteel, functioneel, prestatiegericht en gehard — de mens die past bij het tijdperk van massa’s en machines. De moderne wereld wordt volledig gemobiliseerd door techniek — in oorlog én in vrede — en vormt de mens om tot een gedisciplineerd, hard, instrumenteel, meetbaar en permanent inzetbaar type. Deze mobilisatie is zelfbewegend, totaal, en zichtbaar in oorlog, industrie, sport en het dagelijks leven.
Het is zowel fascinerend als gevaarlijk.
Voorbeelden uit de sport
“Wie de ene schansspringer na de andere van de ski’s ziet springen of de wielrenners met hun gestroomlijnde helmen en uniformen voorbij ziet vliegen als pijlen, krijgt een indruk die nauwelijks nog te onderscheiden is van die van een speciaal geconstrueerde machine.”
“Het nieuwe gezicht… is zieloos, als uit metaal vervaardigd of uit bijzondere houtsoorten gesneden. Het is één van de gezichten waarin het type of het ras van de arbeider zich uitdrukt.”
WOII – De walging
Tijdens WOII komt de echte schok: Jünger ontmoet in Parijs en aan het Oostfront nazi-functionarissen (SS, SD) en ziet hun morele leegte:
“Dat zijn mensen voor wie een mensenleven niet telt.”
“Hij is totaal geschokt door de zakelijke, utilitaire manier waarop over het doodschieten van gijzelaars werd gesproken.”
Dit leidt tot een existentiële afrekening:
“Walging, echt walging… alles waar ik zo van gehouden heb, het is lelijk geworden.”
Het militaire ethos waar hij ooit diep in geloofde, stort voor zijn ogen in.
Zoals de sprekers het samenvatten:
“Het is de techniek die de mensheid mobiliseert tot een ander soort mensen.”
“Het idee is dat de techniek alles in arbeid verandert… mensen worden een soort energieverwerkende instanties.”
“Het atoom is aan het arbeiden, zegt hij. Dat is datgene wat de wereld doortrekt.”
In die ervaring ontstaat de figuur van de moderne mens:
“Dat is de nieuwe mens die bij die nieuwe wereld past.”
Jünger blijft een briljant diagnosticus van het nihilisme, maar het is de vraag of hij het werkelijk overwint. In zijn late werk — mede door de gruwel van WOII — wendt hij zich langzaam naar moraliteit, religie en uiteindelijk zelfs het katholicisme, een opvallende ommekeer in zijn intellectuele ontwikkeling.
En nu?
Wanneer ik kijk naar het leven van Ernst Jünger — de jonge avonturier, de soldaat in de doodsfabriek van 1914, de denker die door techniek en nihilisme werd gevormd, en de oude man die uiteindelijk richting mildheid en religieuze bedding bewoog — dan raakt dat direct aan vragen die ik zelf stel als vader, zoon, man en vriend.
- Waar in mijn eigen leven ben ik vooral functioneel geworden — en waar ben ik mijn menselijkheid aan het inruilen voor inzetbaarheid?
Deze vraag raakt direct aan Jüngers Arbeider:
Waar leef ik volgens schema’s, systemen, efficiëntie, prestaties?
Waar ben ik “altijd beschikbaar”, meetbaar, nuttig — maar minder aanwezig, voelend, spelend?
En: wat kost mij dat innerlijk?
Dit is geen afwijzing van discipline of vakmanschap, maar een uitnodiging om te onderzoeken: Dien ik de techniek — of dient zij mij?
- Waar voel ik zelf de aantrekkingskracht van intensiteit, strijd of ‘grote verhalen’ — en hoe onderscheid ik betekenis van verleiding?
Jünger ging niet uit haat, maar uit verlangen de oorlog in: verlangen naar avontuur, naar intensiteit, naar betekenis
Deze vraag vraagt moed, omdat ze de schaduwkant van zingeving raakt:
Wanneer voelt spanning, conflict, polarisatie of “strijd” aantrekkelijk?
Wanneer voelt het leven te vlak zonder tegenstander?
En: wanneer wordt dat verlangen gevaarlijk — voor mij en voor anderen?
Dit is een vraag over innerlijke eerlijkheid, niet over morele veroordeling.
- Wat is voor mij een geloofwaardige vorm van verzet tegen totale mobilisatie — zonder te vervallen in cynisme of naïviteit?
Jünger zag scherp, maar bleef lang gevangen in fascinatie.
Hoe ervaar ik deze spanning:
Hoe leef ik bewust in een wereld die alles mobiliseert?
Hoe blijf je mens, relationeel, moreel en spiritueel zonder buiten de wereld te gaan staan?
Wat zijn mijn concrete ankers?
ritme?
stilte?
lichamelijkheid?
gebed / contemplatie?
vriendschap?
dienstbaarheid?
Deze vraag is misschien de meest volwassen: Niet: hoe ontsnap ik? Maar: hoe blijf ik trouw — midden in deze wereld?
Bron
