Nu is het mijn en onze beurt.

Er komt een moment waarop de rollen zich omkeren. In de afgelopen veertig jaar heb ik veel rolmodellen gehad naar wie ik opkeek. Mensen die mij hebben gered uit een gewelddadige en onveilige jeugd.

Ik keek op naar die mannen die mijn houvast waren, mijn steun en mijn schouder om op te leunen.

Jonge mannen hebben mannen nodig.

Karate-sensei Van Hurck, budo-meester Chris de Jongh, kickbokstrainer Anne Beukema (†), Goju-Ryu grootmeesters Harry de Spa (†), Sidney Leijenhorst en Ries van Toorn, martial arts grootmeester Shihan Jan Kallenbach (†), vechtkunst- en kickbokspinonier Richard van Asdonck en marinierskapitein John Kenbeek — om er slechts enkelen te noemen.

Op hen kon ik bouwen. Op hen kon ik steunen. Op hun kon ik me richtten.

Maar met het verstrijken van de tijd schuif je zelf een generatie op.

En dan komt het moment dat jij en ik degene worden die de weg wijzen en een baken zijn.

Dan komt het moment waarop wij die rots mogen zijn, dat anker, die schouder voor de volgende generatie.

Om hoop te bieden. Vertrouwen. Liefde.

Er komt een moment waarop je niet langer kunt terugvallen op de wijsheid van degenen vóór jou — omdat zij er niet meer zijn.

En hoe verder je zelf opschuift in de lijn van generaties, hoe dringender die ene vraag wordt:

hoe kan ík, met al mijn fouten en worstelingen, baken van hoop en richting zijn voor anderen zonder mijn tekortkomingen op hun te projecteren?

Krijgers veranderen. Ze groeien. Ze nemen nieuwe rollen aan.

De eerste levenshelft draait om opbouwen, presteren, identiteit vormen, erbij horen.
De tweede levenshelft gaat over loslaten, verdiepen, betekenis vinden en dienen

We hebben ons deel gedaan in de eerste helft van het leven — maar het is nog niet voorbij.

Er roept opnieuw een opdracht:
het doorgeven van wijsheid, moed en kwetsbaarheid.

En bovenal: liefde.