
“Het gevaar van niveauduidingen is dat iedereen van niveau 1 naar niveau 2 moet. Want dan pas heb je wat geleerd.” Maar dat is niet waar. “Sommige kinderen blijven hun hele leven niveau 1. En die worden óók beter.” In het bewegingsonderwijs praten we veel over “kinderen beter laten bewegen”. Maar wat bedoelen we daar nu écht mee? Efficiënter? Netter? Meer volgens de norm? In gesprek met Chris Hazelebach over wat we kunnen verstaan onder beter (leren) bewegen en welke taal daar het beste bij past.
Chris introduceert drie niveaus — beginnend, stabiel en experimenterend bewegen. Chris leert dat niveau 1 ook een leerweg is, en niet een tekort. Sterker nog: sommige kinderen zullen heel hun leven niveau 1-bewegers blijven… en tóch beter worden.
Hij geeft toe dat hij zelf jarenlang in die valkuil zat: “Ik probeerde ze altijd maar naar niveau 2 te helpen… ze werden knettergek van al mijn aanwijzingen.” Zijn reflectie is even eerlijk als bevrijdend: “De impliciete boodschap was: je bent pas beter als je niveau 2 bent. Dat moet eruit.”
Maar hoe help je dan wél? Daarvoor brengt Chris de taal terug tot drie essentiële begrippen. Hij noemt ASM, maar vereenvoudigt het tot een krachtige vaktaal: “Ik stop het terug naar ritme, richting en reactie.” Ritme omdat “sommige kinderen te snel draaien en anderen juist te traag”. Richting omdat “de één alleen het touwtje ziet en de ander al een beetje om zich heen kan kijken”. En reactie omdat “elke beweegvaardigheid een aaneenschakeling is van reacties op elkaar.”
Deze drie woorden — ritme, richting, reactie — worden een bril waardoor je anders naar je leerlingen kijkt. Niet om ze te vergelijken, maar om subtiele groei te zien: “Dat zijn de kleine verschuivingen die een niveau 1-beweger echt beter maken, zonder dat hij niveau 2 wordt.”
Je voelt dat dit niet alleen over motoriek gaat. Dit gaat over mensbeeld. Over pedagogiek. Over wat onderwijs wil zijn. Zoals Chris het zegt: “Wij hebben drie doeldomeinen… sport heeft er maar één.” “Omdat wij onderwijs zijn en geen sport, gaat het bij ons om iets anders dan de beste worden.”
En dus moet het bewegingsonderwijs kiezen voor groei, niet voor perfectie; voor experimenteren, niet voor strak afvinken; voor menselijkheid, niet voor efficiëntie.
Deze podcast is geen gesprek over techniek.
Het is een gesprek over onderwijs.
Over hoe we kinderen groot maken — niet door ze beter te laten presteren, maar door ze beter te laten leren bewegen op hún manier.
Daarom moet elke LO-docent deze aflevering horen. Omdat het je vak terugbrengt naar waar het bedoeld is: ontwikkeling, plezier en betekenis. En omdat je morgen anders voor de klas staat.
We zijn benieuwd naar je reactie!
Uit de podcast
1. Over ruimte geven aan ieder kind
“Een kind dat steeds hetzelfde wil blijven doen — dat is óók een vorm van verbeteren.”
👉 Eén van de mooiste zinnen in het hele gesprek: groei is niet alleen sprong vooruit, maar ook herhalen met iets meer rust, vertrouwen of lef.
2. Over wat het onderwijs werkelijk dient te doen
“Bij ons gaat het erom dat een kind leert experimenteren met zijn eigen mogelijkheden.”
👉 Chris herdefinieert hier het hart van bewegingsonderwijs: niet presteren, maar ontdekken.
Onderwijs waardeert experimenteren hoger dan efficiëntie
“Wij zijn onderwijs en geen sport.”
“Bij ons gaat het om leren experimenteren met je eigen mogelijkheden.”
“In de sport win je meer met stabiel bewegen… maar in het onderwijs is experimenteren niveau 3 — het hoogste niveau.”
“De sport is gestopt met niveau 2… zo goed mogelijk die beweging, zo precies mogelijk.” “Omdat wij onderwijs zijn, gaat het bij ons om iets anders dan de beste worden.”
3. Over de waarde van niveau 1
“Ook binnen niveau 1 word je een betere beweger.”
👉 Voor vele kinderen die nooit ‘niveau 2’ zullen halen is dit een bevrijding.
4. Over vrijheid en plezier
“Niveau 3 is stralend falen.”
👉 Een prachtige uitspraak: het hoogste niveau van bewegen is spelen, proberen, lachen wanneer het misgaat.
5. Over de rol van docenten
“Ik wil dat jij je best doet om beter te worden — en wat dat is, moeten we samen vinden.”
👉 Een radicaal pedagogisch statement: het kind bepaalt mede de richting, niet de docent alleen.
6. Over burgerschap?
Chris zegt expliciet dat je geen curriculum kunt maken op basis van burgerschap, en dat dit precies is wat er misgaat in het burgerschapsonderwijs:
“Je kan geen curriculum maken op burgerschap. Dat is echt de fout van burgerschap.” Chris beter bewegen
Hij stelt dat burgerschap geen zelfstandig curriculum is maar iets dat alleen geïntegreerd kan worden binnen activiteiten (zoals bewegen, samenwerken, spel):
“Dat roepen ze: dat moet geïntegreerd worden in andere vakken.”
Je curriculum moet gebaseerd zijn op activiteiten, niet op persoonsvorming of burgerschap. “Je kan niet een leerplan maken op persoonsvorming of op groepsvorming.” “Je kan alleen een curriculum maken op basis van de beweegactiviteit.”
“Onderwijs ordent zich op activiteiten.”
Chris vindt dat burgerschap niet het startpunt van onderwijs mag zijn. Het moet niet de bedoeling zijn dat onderwijs kinderen “democratisch gaat maken” — in die zin wordt burgerschap eerder ingevuld via groep, activiteit, samenspel, maar niet als apart leerdoel. Hij is kritisch over de huidige burgerschapsopdrachten in het onderwijs:

Meer over Chris: