Erik Erikson in de Gymzaal!

Als docent bewegingsonderwijs, sporttrainer of student aan de ALO of MBO Sport en bewegen zie je meer dan alleen kinderen die bewegen. Achter elk kind schuilt een ontwikkelingsverhaal. De theorie van Erik Erikson helpt je dat verhaal beter te begrijpen. Hij beschreef acht fasen die ieder mens doorloopt. De leerlingen op je stage school. Maar jijzelf ook. In elke fase staat er een uitdaging centraal. Hoe die wordt opgelost, bepaalt hoe stevig je verder kan bouwen.

De acht fasen

Fase 1: Vertrouwen vs. wantrouwen
Baby’s leren of de wereld veilig is. Als verzorgers betrouwbaar zijn, groeit vertrouwen.

Fase 2: Autonomie vs. schaamte/twijfel
Peuters willen zelf dingen doen: “Ik kan het zelf!” Te veel controle kan schaamte oproepen.

Fase 3: Initiatief vs. schuld
Kleuters verkennen nieuwe activiteiten. Aanmoediging stimuleert initiatief, afkeuring kan schuldgevoel geven.

Fase 4: Vlijt vs. minderwaardigheid
Op school ontdekken kinderen talenten en krijgen ze feedback. Positieve erkenning versterkt hun gevoel van kunnen.

Fase 5: Identiteit vs. rolverwarring
Jongeren zoeken uit: “Wie ben ik? Waar hoor ik bij?” Een veilige omgeving helpt, maar druk en verwachtingen kunnen verwarring veroorzaken.

Fase 6: Intimiteit vs. isolatie
In de vroege volwassenheid draait het om relaties. Succes geeft verbondenheid, mislukking kan isolatie brengen.

Fase 7: Generativiteit vs. stagnatie
Volwassenen willen bijdragen aan de volgende generatie. Als dat niet lukt, dreigt stilstand.

Fase 8: Integriteit vs. wanhoop
Later in het leven kijk je terug: ben je tevreden of overheerst spijt?

De jonge leraar lichamelijke opvoeding

Vooral in de fase van de adolescentie zie je bij jongeren onzekerheid. En ontwikkel je je eigen identiteit. Vragen die daarbij horen zijn:

  • Wie ben ik?
  • Waar hoor ik bij?
  • Welke waarden zijn van mijzelf?

Er kan een tijdje onzekerheid zijn. Dit kan zich uiten in rolfixatie (niet durven experimenteren), tijdverwarring (geen grip op plannen), of verlegenheid (niet durven meedoen in de groep).

Wat je nodig hebt is een veilige omgeving, waarin jij maar ook je leerlingen zichzelf mogen uitproberen zonder directe veroordeling.

Wat betekent dit voor jou?

  • Herken de fase: Bedenk dat gedrag vaak te maken heeft met een ontwikkelingsuitdaging, niet alleen met ‘lastig zijn’.
  • Bied scaffolding: Net als bij Vygotsky kun je tijdelijke steun bieden tot een leerling zelf verder kan.
  • Creëer veiligheid: Geef ruimte om fouten te maken zonder meteen negatieve labels.
  • Geef erkenning: Een compliment, een bemoedigende blik of een succeservaring kan bepalend zijn voor hoe een leerling zichzelf ziet.

Erikson leerde ons dat elke fase invloed heeft op de volgende. Door als docent in de gymzaal oog te hebben voor deze psychosociale ontwikkeling, help je leerlingen niet alleen beter bewegen, maar ook sterker worden als mens.

Of, zoals je tijdens je stage zult merken: Je geeft geen gymles, je bouwt mee aan vertrouwen, identiteit en zelfwaarde.