Beelden achter motorisch leren

Voor wie?

Docenten bewegingsonderwijs vanuit ALO, MBO en sporttrainers.

Wat ?

Al jaren maak ik podcast en schrijf ik artikelen over sport en bewegingsonderwijs. Een half jaar geleden of meer maakte ik een aantal podcasts over motorisch leren. Ik denk interessant voor docenten bewegingsonderwijs vanuit ALO en MBO Sport en Bewegen. Een van de podcast was met Dr. John van de Kamp over beelden achter bewegen. En zijn artikel hierover, zie onder.

Achter de methoden van motorisch leren zitten namelijk twee verschillende ideeën over hoe mensen bewegen. Die gevolgen hebben voor hoe jij aanwijzingen en les geeft. Is het ene beeld over leren bewegen beter dan het andere? Niet per se, maar ieder heeft zijn voorkeur. Nog belangrijker: wat past het beste bij de leerling.

Het eerste idee zegt dat je een beweging opneemt in je lichaam. Door te oefenen maak je een soort blauwdruk in je hersenen: een motorisch programma. Dat programma bevat de commando’s voor hoe je de beweging moet uitvoeren. Dit heet skill acquisition.

Het tweede idee kijkt niet alleen naar het lichaam, maar vooral naar de interactie met de omgeving. Bewegen ontstaat in de situatie zelf, die steeds verandert en nooit helemaal voorspelbaar is. Daarom werkt een vaste blauwdruk of motorisch programma niet goed genoeg, omdat het te weinig kan aanpassen. Dit noemen we skill emergence. Bernstein liet dit duidelijk zien: ervaren ambachtslieden maken telkens kleine aanpassingen tijdens het slaan, maar raken toch elke keer precies de beitel.

Kort gezegd:
– Fitts: leren bewegen = een intern motorisch programma maken.
– Bernstein: leren bewegen = oplossingen vinden in een veranderlijke omgeving.


So what?

Deze twee manieren van kijken naar leren bewegen leiden ook tot andere manieren van lesgeven. Als je ervan uitgaat dat een leerling een motorisch programma moet opbouwen — dus een vaste, correcte bewegingswijze moet aanleren — dan is het belangrijk dat de leerling duidelijke kennis en uitleg krijgt over hoe de beweging precies hoort. De leerling moet dat begrijpen, onthouden en inprenten, zodat de juiste uitvoering kan worden opgeslagen.

Bij het expliciete leren ga je ervan uit dat een leerling een motorisch programma moet opbouwen dat de correcte bewegingswijze voorschrijft. Daarom krijgt de leerling duidelijke uitleg over hoe de beweging moet. Bijvoorbeeld bij een lay-up: welke voet eerst, wanneer dribbelen, hoe afzetten, hoe springen en hoe de arm en pols bewegen.

De docent geeft verbale aanwijzingen over wat goed moet gaan en wat fout is. Dat hoort bij expliciete leermethoden.

Daarnaast speelt feedback een grote rol. De leerling hoort wat er niet klopt (‘je zet met de verkeerde voet af’) of krijgt te zien wat er goed ging, bijvoorbeeld met video of split-screen. Zo wordt de leerling bewust van verschillen tussen de uitvoering en de correcte vorm. Het werkt het best als leerlingen zelf kiezen wanneer ze feedback willen; dan regelen ze hun eigen leerproces.

Als de beweging goed lukt, moet de leerling deze vaak herhalen, zodat bewuste aandacht niet meer nodig is. De beweging wordt dan geautomatiseerd: het motorisch programma loopt vanzelf, en de leerling kan zich richten op wat er daarna in de situatie gebeurt.


Het andere beeld: leren in en met de omgeving

Bij het tweede beeld van leren bewegen draait het niet alleen om wat er in je lichaam gebeurt, maar vooral om wat er in de omgeving gebeurt. Leren bewegen ontstaat in de relatie tussen jou en de situatie. Je leert dus niet in een lege gymzaal, maar midden in een speelveld dat voortdurend verandert. Je bent steeds op zoek naar adaptieve, werkende oplossingen.

De omgeving biedt allerlei affordances: kansen om te bewegen. Bijvoorbeeld: nodigt de ruimte rechts onder de basket uit tot een lay-up? Dat hangt af van waar jij staat, waar de verdediger staat én hoe goed jij de lay-up al beheerst. Je kunt een beweging dus nooit los zien van de situatie.

Daarom is een belangrijke taak van de docent: de aandacht van de leerling richten op de relevante informatie in de omgeving.


Impliciete leermethode

Bij dit (interactie beweger en omgeving) soort leren hoort vaak een impliciete aanpak. De leerling richt de aandacht extern, op het doel van de beweging (bijv. waar de bal het backboard moet raken), in plaats van intern op hoe ze technisch moet bewegen. Zo leert de leerling zonder veel nadenken over elke stap.

Docenten kunnen dit ondersteunen door bijvoorbeeld eerst een groot vlak op het backboard te maken waar de leerling bijna niet naast kan gooien, en dit vlak daarna stap voor stap kleiner te maken. Dit foutloos leren voorkomt dat leerlingen voortdurend moeten corrigeren hoe hun uitvoering moet — en dat past bij impliciet leren.

Soms kan de docent een analogie geven om het gevoel van de beweging duidelijk te maken, zonder technische uitleg. Bijvoorbeeld: “Beweeg aan de kant van de bal alsof je…”

Het doel: de leerling leert zien, voelen en reageren op de situatie — niet een vaste techniek in zijn hoofd zetten, maar oplossingen laten ontstaan vanuit de omgeving.


Variëren van situaties

Omdat alle deelbewegingen in een beweging met elkaar verbonden zijn, kun je het beste de hele beweging oefenen in plaats van losse stukjes. Kleine fouten in één deel worden dan automatisch opgevangen door wat daarna komt. Daarom is variatie belangrijk: niet steeds hetzelfde herhalen, maar oefenen in verschillende situaties.

Denk aan:
– lay-ups van rechts én links
– starten vanuit dribbel of vanuit stilstand
– soms een pass ontvangen
– soms mét en soms zonder verdedigers of medespelers

Zo ontdek je steeds opnieuw: is de lay-up hier mogelijk, of moet ik juist passen? Dat is leren zien van affordances.


Gebruik van leermethoden

Is één manier van leren bewegen beter dan de ander? Niet per se. Veel docenten voelen zich meer thuis bij het idee dat leren ontstaat in de interactie met de omgeving. Dat past bij gevarieerde situaties en impliciete leermethoden waarbij leerlingen hun aandacht richten op wat er in de omgeving gebeurt.

Maar expliciete aanwijzingen — waarin de docent precies zegt hoe de correcte techniek moet — kunnen soms ook heel effectief zijn, zeker als een leerling snel een fout moet herstellen of een zwakker werkgeheugen heeft.

De kern is:
Beide leermethoden hebben waarde. Het gaat erom bewust te kiezen en te zien welke mogelijkheden de situatie biedt.

Wat je wél moet vermijden: alles door elkaar gebruiken zonder reden. Elke methode stuurt het leren namelijk op een andere manier.

Benadering + Beeld achter leren bewegenKernidee (makkelijke woorden)Hoe leren leerlingen?Typische methoden in de les
1. Representatie-benadering= motorisch programma beeld (BV Fitts)
Denken → Doen
Bewegen = een plan in je hoofd.
Je leert een blauwdruk of motorisch programma: je weet eerst hoe het moet en daarna voer je uit.
De omgeving is minder belangrijk.
– Door uitleg en regels
– Door stapjes volgen– Door imiteren (voordoen–nadoen)
– Door corrigeren van fouten
– Door bewust nadenken over de techniek
– Techniekstapjes (rechts–links–sprong)
– Expliciete Verbale aanwijzingen (“elleboog hoger”)
– Videofeedback en vergelijken
– Deelbewegingen isoleren-
Veel herhalen tot automatisatie
2. Anti-representatie-benadering= skill emergence beeld (VB Bernstein)
Doen → Ontdekken
Bewegen ontstaat in de situatie.
Je lichaam past zich automatisch aan aan wat er om je heen gebeurt.
Geen blauwdruk, maar oplossingen vinden die passen bij de omgeving.
– Door spelen en variëren
– Door ontdekken wat werkt
– Door externe focus (kijken naar doel/effect)
– Door affordances zien (kansen in de situatie)
– Door hele bewegingen te oefenen
– Spelsituaties / constraints
– Variatie in ruimte, tegenstanders, tempo
– Foutloos leren (groot raakvlak → kleiner)
– Analogieën (“spring alsof je…”)
– Oefenen vanuit verschillende posities/situaties

Verder lezen?