
Mijn opdracht voor de oefening was toch duidelijk! Instap met room-entry met gebruik van ‘slicing the pie’ en een ‘peek of push’ techniek. In het pand ‘running the walls, gebruik van HALO principe en bij vuurcontact GotX. En toen bleef het stil. Fast forward naar 2020 waar ik mijn eerste jaars HBO studenten vraag uit te leggen hoe vak-inhoud, didactiek en pedagogiek met elkaar interacteren (wat?) in een les bewegingsonderwijs. Weer die onaangename stilte en lege blikken. Oh, en bij de Ambulance dienst? Daar briefen we oefeningen met pappen, triage, warm zone en de MARCH. Als je eenmaal beschikt over bepaalde kennis kun je je niet meer goed kunt voorstellen hoe het is om die kennis niet te hebben volgens de ‘vloek van kennis’. Als docent moet je je afvragen of jargon de deelnemers helpt of hindert bij hun leren.
Vijf tips voor de training
- Ga er niet vanuit dat iedereen jou vaktermen gebruikt en check dit af en toe.
- Onderzoek eens of het jargon in jou training dezelfde taal is als die op straat en of dat elkaar hindert of juist versterkt.
- Trainers spreken soms didactische taal (feed-up / werkvorm / actie-reflectie enz ) waarvan je je kunt afvragen of de deelnemer daar wat aan heeft.
- Taal is DE verbinding met onze deelnemers. Wil je dezelfde taal spreken OF wil je juist een andere taal spreken (vanuit je positie als opleider of trainer)?
- Neem je les een keer op en kijk eens welke woorden en vaktermen je gebruikt. Te weinig of teveel? Hinder of versterkend voor het leren?